Preek 16 september Preek 16 september

Hieronder kunt u de verkondiging lezen over Marcus 9: 14-29 die gehouden is in de dienst op 16 september in de Andreaskerk en in de Michaelkerk.

Als u wilt reageren, kan dat naar .
------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Gemeente van onze Heer Jezus Christus,
 
Een vader met een zieke zoon, wij komen die tegen in ons verhaal. Radeloos is de vader dat er niemand is die zijn zoon kan helpen. Zijn zoon die al van kinds af aan ziek is.  Ook de  leerlingen van Jezus lukt het niet om deze jongen te genezen.  
 
Een vader met een zieke zoon, het herinnerde mij aan een stukje dat ik pas op de radio hoorde. Daar was ook een vader met een ziek kind. De jongen – hij was al in de twintig – leed aan een zeldzame ziekte. Jarenlang was er geen medicijn geweest dat ook maar een beetje hielp. Sinds een paar jaar was dat medicijn er wel, nou ja zo ervoer de jongen het. Hij merkte dat hij meer kon als hij dat middel gebruikte. Zijn leven was iets verbeterd. Echter, de commissie die over de vergoedingen van medicijnen ging, dacht anders over het medicijn. Het was in hun ogen een duur middel zonder effect. Dus werd het medicijn niet meer vergoed. De jongen zat zonder.
 
Je kunt je goed de vragen van die vader voorstellen: nu is er eindelijk een medicijn en mijn zoon ervaart vooruitgang, maar mijn zoon mag het niet hebben. Hij blijft veroordeeld tot zijn ziekte. Er is geen verlichting.
 
Dat verdriet, die radeloosheid raakt aan een kant van ons Bijbelverhaal, aan het lijden van die jongen, aan het lijden van die vader. Het is niet vaak dat wij in dit soort verhalen zo uitgebreid horen over het lijden van een kind. Tot tweemaal toe doet de vader heel zijn verhaal. Zijn zoon die vanaf dat hij een klein kind is, overweldigd wordt door een geest. Wij herkennen in de beschrijving van de vader kenmerken van wat bij ons epilepsie is: vallen, stuiptrekken, schuim op de mond. En  - zo zag ik in informatie op internet - het niet meer bewust zijn van gevaar. Over de jongen horen wij dat hij al een paar keer in het vuur is gevallen, in water. Wat moet het verschrikkelijk zijn, wat een angsten zullen er in die vader om zijn gegaan?  
 
Als ouder ben je dan bereid om naar welke dokter dan ook maar toe te gaan, op zoek naar iemand die helpt. Op zoek naar iemand die dit laat stoppen. Zo komt die vader bij de leerlingen van Jezus. Over die leerlingen horen wij in eerdere verhalen dat zij over de macht beschikken om demonen uit te drijven, om zieken te genezen. Het is dus niet gek dat die vader aan de leerlingen vraagt om zijn zoon te genezen. Maar het lukt de leerlingen niet om deze jongen gezond te maken, wat ze ook doen, het heeft geen resultaat.
 
Dan horen wij in ons verhaal over een soort commissie die met elkaar discussieert over het hoe en wat van dit middel. Er zijn Schriftgeleerden die met de leerlingen in gesprek zijn. Ik denk dat ze het met elkaar gesproken hebben over of die leerlingen wel in staat waren om dat wonder te doen. Lag het wel in hun vermogen om iemand beter te maken? Mocht het wel?
 
En dan verschijnt Jezus op het toneel. Jezus die met drie andere leerlingen op een berg was geweest, daar waren Mozes en Elia aan Hem verschenen. Met Jezus’ komst verschuift ook de aandacht in dit verhaal, het lijden van die vader en die zoon verdwijnt naar de achtergrond om plaats te maken voor een ander thema, dat van geloof. Als Jezus van die vader hoort dat  het de leerlingen niet gelukt is, barst hij uit: ‘Wat zijn jullie toch een ongelovig volk, hoe lang moet ik nog bij jullie blijven? Hoe lang moet ik jullie verdragen? Breng de jongen bij mij!
 
Er zit woede, teleurstelling in deze woorden van Jezus. Hij is er helemaal klaar mee. Een ding valt dan op aan wat Jezus zegt: hij noemt de leerlingen een ongelovig volk. Een volk is toch meer dan slechts die twaalf leerlingen? Er klinkt zo ook in deze woorden van Jezus  een oordeel door over al die mensen die daar zijn. Je kunt de vraag stellen of het alleen de schuld is van de leerlingen dat het niet lukt om die jongen te genezen. Als Jezus een wonder, een genezing doet, is dat, als je de verhalen leest, eerder een samenspel tussen de macht van Jezus en het geloof van de mensen. Zo ook hier, in het falen van de leerlingen doen ook de mensen mee.
 
Dat samenspel tussen Jezus’ macht en het geloof van de mensen vinden wij terug in het vervolg als Jezus met die vader in gesprek gaat. De vader doet zijn verhaal en besluit dan met de vraag: ‘Maar als u iets kunt, heb dan medelijden met ons en help ons!’
 
‘Of ik iets kan doen?, [zegt Jezus], ‘Alles is mogelijk voor wie gelooft.’ ‘Voor wie gelooft’, alles is nu in het kader van geloof komen te staan, van het vertrouwen hebben. Jezus vraagt naar het geloof van die man. Dan antwoordt de vader met: ‘Ik geloof! Kom mijn ongeloof te hulp.’ Met de woorden van de Bijbel in gewone taal: ‘‘Ik geloof! Help me om mijn ongeloof te overwinnen!’
 
Dit mengsel van geloof en ongeloof blijkt voldoende voor een wonder door Jezus. Jezus maakt de jongen beter, al lijkt het even verkeerd te gaan. De mensen zien de jongen liggen en denken dat hij is overleden. Maar Jezus pakt de jongen bij de hand en de jongen staat op! Hij is genezen.
 
Tja, en dan zit het leerlingen niet lekker: waarom lukte het hen niet? Ze vragen het aan Jezus en die zegt tegen hen: ‘Dit soort kan alleen door gebed worden uitgedreven.’ Gebed, wij hebben daar niets over gehoord in dit verhaal. Het gaat over geloof! Matteüs, een andere Bijbelschrijver, die dit verhaal ook vertelt, heeft daarom als reden: ‘Vanwege jullie gebrek aan geloof. Ik verzeker jullie als jullie geloof zouden hebben als een mosterdzaadje […] niets zal voor jullie onmogelijk zijn.’  
 
Een vader met zijn zoon, wanhopig is de vader op zoek naar genezing voor zijn zieke zoon. De leerlingen van Jezus, zij zijn niet in staat om te helpen. Jezus wel, maar hij plaatst deze genezing in het kader van geloof: ‘Of ik iets kan doen? Alles is mogelijk voor wie gelooft.’
 
‘Alles is mogelijk’, soms zou je denken dat in onze welvarende cultuur alles mogelijk zou moeten zijn, maar waar in het Bijbelverhaal de grens van wat mogelijk is, bepaald wordt door geloof, ‘Alles is mogelijk voor wie gelooft’ is het bij ons, in onze samenleving, vaak geld. ‘’Alles is mogelijk voor wie maar betaalt.’ In de discussie rond het medicijn voor die jongen die ik aan het begin noemde, was dat de allesbepalende factor: je kunt je geld maar een keer uitgeven, iedereen klaagt als de zorgverzekering omhoog gaat, dus je moet verstandig zijn: goed kijken of je waar krijgt voor geld. Veel is mogelijk, maar wel tegen een bepaald prijskaartje. Wie gaat, wie wil dat prijskaartje betalen?
 
Hoe logisch het ook klinkt, voelt in onze samenleving, dat wij die afweging moeten maken, hoe gemakkelijk het er op papier ook uitziet, in de praktijk is het toch erg lastig. Het gaat bij die medicijnen wel over mensen, over hun laatste strohalm. Zoals de jongen in het radiofragment ook zei: ‘Wat zouden die mensen van de zorgautoriteit doen als het hun kind betrof?’.
 
Bij dit soort kwesties vind ik het zelf altijd ontzettend lastig: wat moet je er nou van vinden? Wel of niet geven/vergoeden. Voor beide kanten is iets te zeggen, al voel ik wel meer sympathie voor die jongen. Moet je er iets van vinden? Mag je ook gewoon denken/zeggen: ik weet het niet?
 
Ik denk in ieder geval dat ons Bijbelverhaal ons geen antwoord geeft op deze  actuele vraag. Wat dit Bijbelverhaal in mijn ogen blootlegt, is de blijvende worsteling met ziekte. Of het nu tweeduizend jaar geleden was of nu, of er nauwelijks medische zorg was of onze wereld met onze ziekenhuizen, wij blijven geconfronteerd worden met ziekte, geconfronteerd worden met de grens die bij ziekte altijd zichtbaar wordt: is wel er genezing? Is er wel verbetering mogelijk? Wij blijven geconfronteerd met het verlangen naar herstel, met wanhoop of het wel kan.
 
Wat ons verhaal blootlegt, is de vraag naar vertrouwen. ‘Alles is mogelijk voor wie gelooft’.  ‘Als je gelooft, kan alles.’ Nu vind ik het zelf lastig om te zeggen wat deze woorden van Jezus voor ons betekenen. Vertelt Marcus, de schrijver, dit verhaal ons door als aanmoediging om in welke situatie dan ook te blijven geloven in een goede afloop? Geloof te hebben dat dingen kunnen veranderen? Blijven hopen op een wonder? En als er niets verandert, als er geen genezing is, heb je dan te weinig geloof gehad?
 
Door de eeuwen heen is het antwoord van die vader ‘Ik geloof! Kom mijn ongeloof te hulp.’ breder gezien dan alleen deze situatie, breder dan deze ervaring van ziekte. De vader werd een beeld van geloven. Hij werd gezien als een in die lange lijn van gelovigen die ondanks alles gericht bleven op God, met hun vertrouwen en met hun twijfels. Zij geloofden, ook al zagen zij niet altijd resultaat.
 
Moeten wij hier nu kiezen wat Jezus hier bedoelt? Is het nou een van beide, ‘vertrouwen hebben, blijven hopen op de goede afloop’ of eerder ‘geloven, wat dan ook, ook zonder resultaat’? Ik kom er steeds meer achter dat de een de ander niet hoeft uit te sluiten.
 
‘Alles is mogelijk voor wie gelooft’. Het deed mij denken aan een interview met een Engelse filosoof. Heel christelijk was hij niet. De God waarvan hij dacht dat die bestond, leek niet erg op de God van de Bijbel. In dat interview gaf hij wel een mooi antwoord. Hem werd gevraagd wat hij van wonderen dacht. Daarop gaf hij een heel nuchter antwoord: ‘Als je in God gelooft en je denkt dat Hij machtig is, dan kunnen er bijzondere dingen gebeuren. In mijn woorden: een wonder, het zou kunnen.   
 
‘Alles is mogelijk voor wie gelooft’, het is een oproep om de mogelijkheid open te houden, erop te vertrouwen dat het kan. Dat er in Gods naam veel mogelijk is. Dat de grenzen die wij zien, zomaar doorbroken kunnen worden. Er toch herstel, verandering is.
 
Bij dat geloof in het onmogelijke hoort het geloof van wat dan ook, het geloof zonder hoop op resultaat. Het zijn als twee benen waarop een mens kan staan. Het geloof zonder hoop op resultaat, het is  als liefde, liefde die je geeft zonder dat je er iets voor terug verwacht, je hebt lief gewoon omdat je van diegene houdt. Het geloof als een daad van overgave, een blijk van vertrouwen in God.
 
Dit geloof zorgt er voor dat wij niet vervallen in verwijten naar de ander, ons zelf verwijten als er geen genezing, verandering is: je gelooft niet goed genoeg, je moet meer geloven. Nee, wij zullen altijd weer tegen grenzen aanlopen.
 
Een vader met een zieke zoon, een verhaal van toen, een verhaal van nu. Een verhaal over verdriet, over pijn. Een verhaal over vertrouwen hebben: ‘Of ik iets kan doen, zegt Jezus’, alles is mogelijk voor wie gelooft.’ Geloof in het onmogelijke, geloof als een daad van vertrouwen, hoe dan ook. ‘Ik geloof! ‘Help me om mijn ongeloof te overwinnen!’. 
 
Amen
 

terug