Preek 11 november Preek 11 november

Hieronder kunt u de verkondiging lezen over Leviticus 19: 1-4, 12-18  die gehouden is in de oogstdienst op 11 november in de Petruskerk.

Als u wilt reageren, kan dat naar .
------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

Gemeente van onze Heer Jezus Christus,

Onze zomer had dit jaar veel weg van een zomer in Israël. Die zomers kennen in de maanden mei tot en met september nauwelijks regen. Ook wij hadden zo’n zomer. Dit jaar was het een zomer met geel gras, met bomen die al vroeg hun blad lieten vallen, een jaar met minder opbrengt, minder aardappels, veel minder uien.

Deze zomer had iets dubbels. Voor vakantiegangers in eigen land was het prachtig: het mooie weer hield maar niet op. Ook als je geen vakantie had, kon je blijven genieten. De andere kant was dat deze zomer je ook liet merken hoe kwetsbaar je bent als mens, hoe kwetsbaar de natuur is. Natuur die veel neerslag nodig had, had het erg zwaar. Heeft het nog zwaar.

Wat ik dan toch wel weer bijzonder vind, is dat de prijzen voor aardappels en uien waarschijnlijk zullen stijgen maar voor de meesten van ons zal het geen probleem zijn. Wij zijn zo welvarend dat een zomer anders dan gewend niet voor armoede, voor honger zorgt. Die tijd ligt achter ons.

Zo had onze zomer wel wat weg van een zomer in Israël, maar zijn de gevolgen niet te vergelijken met een extra droge zomer, bijvoorbeeld, 1000 jaar voor Christus. Dat is ongeveer de tijd waarin ons verhaal uit Leviticus speelt. Leven in een tijd waarin een zomer anders dan verwacht wel tot grote gevolgen leidt.    

Leviticus is een Bijbelboek waaruit niet zo vaak gepreekt wordt. Ik zag in mijn eigen archief dat ik het hier niet eerder heb gedaan. Leviticus is geen boek vol met mooie verhalen. Nee, het staat vol met allemaal regels en aanwijzingen. Regels over hoe je moet offeren, aanwijzingen voor priesters. Wat zij allemaal moeten doen. Toch wordt Leviticus wel gezien als hart van de Thora, als het centrum van de vijf boeken van Mozes.

Dat heeft te maken met de vraag die in dit boek centraal staat. In de boeken voor Leviticus krijgt het volk Israël vorm. In Genesis wordt het begin verteld, van de wereld, van het volk en dat boek eindigt met Jozef met zijn familie in Egypte. In Exodus horen wij hoe het volk in Egypte onderdrukt wordt, maar daar door God uit bevrijd wordt. Het volk vertrekt en gaat op weg gaat naar het beloofde land.

Dan komt het boek Leviticus. Je zou verwachten – het volk is nog aan het reizen – dat het vooral daarover gaat. Over op reis zijn. Maar dat is niet zo. De vraag die in dit boek centraal staat, is deze: wij zijn een bevrijd volk, op weg naar een nieuw land, hoe kunnen wij in die nieuwe situatie, in dat nieuwe land, bevrijde mensen blijven, mensen gewijd aan God?

Die vraag komt ook terug in ons gedeelte. Wij vinden hem heel kort samengevat aan het begin: ‘De HEER zei tegen de gemeenschap van Israël: ‘Wees heilig, want ik, de HEER, jullie God ben heilig.’ Nu kun je het woord ‘heilig’ op verschillende manieren gebruiken. Neem bijvoorbeeld het lied ‘Heilig, heilig, heilig! Heer, God almachtig, vroeg in de morgen worde U ons lied gewijd.’ Heilig is dan zoiets als verheven, groot. Hier is het anders: het gaat hier om wat je doet. Om hoe je leeft.

‘Wees heilig, want ik, de HEER, jullie God ben heilig.’ Die samenvatting wordt in ons gedeelte verder uitgewerkt. In heel veel aanwijzingen die wij horen, herkennen wij regels die ook terugkomen in de Tien Geboden: ‘Toon ontzag voor je moeder en je vader, neem mijn steeds mijn sabbat in acht.’ Ja, die kennen wij wel…

Een paar geboden in ons gedeelte hebben een achtergrond in de landbouw, bijvoorbeeld deze: ‘Laat je niet in met afgoden en maak geen godenbeelden. Ik ben de HEER, jullie God.’ Dan moet ik even terugkomen op die warme zomer. Wij merken dan dat wij kwetsbaar zijn, hoeveel te meer niet een de boer in Israël in die dagen?  Een van de grootste verleidingen voor het volk was het vereren van vruchtbaarheidsgoden, van de Baäls. Niets is zo wisselvallig als het weer, dus om er toch wat invloed op te hebben, werden die goden aangeroepen. Door heel het Oude Testament komt het steeds weer terug...  

Nu weet ik niet of het ook voor de mensen zelf als afgoderij voelden. Het kan dat zij dachten: er is een God die ons uit Egypte heeft bevrijd, JHWH en je hebt vruchtbaarheidsgoden. Die heb je ook nodig. Beide goden hebben zo’n plek: een voor de bevrijding, de andere voor het groeien en bloeien van de gewassen. In onze tekst blijkt dat er het niet past: het is of God of de Baäls. Anders gezegd: de God die hen bevrijd had uit Egypte, is ook de God die vruchtbaarheid geeft. Dus: Laat je niet in met afgoden…

Een ander gebod in ons gedeelte met achtergrond in de landbouw is die over de graan- en wijnoogst. ‘Wanneer je de graanoogst binnenhaalt, oogst dan niet tot aan de rand van de akker en raap wat blijft liggen niet bijeen. En wanneer je bij de wijnoogst druiven plukt, loop dan niet alles nog eens na en raap niet bijeen wat op de grond is gevallen, maar laat het liggen voor de armen en de vreemdelingen. Ik ben de HEER, jullie God.’

Nu las ik ergens dat dat gebruik om niet alles weghalen misschien ook al door de oorspronkelijke bewoners van Israël werd gedaan. Ook zij lieten graan liggen en druiven hangen, maar dat deden zij niet voor de armen of vreemdelingen. Ze deden dat om de geesten van het veld gunstig te stemmen. Al te gulzig druiven plukken of graan oogsten, zou er in hun ogen voor kunnen zorgen dat de geesten hen volgend jaar zouden straffen. Ervoor zouden zorgen dat er een extra droge zomer zou komen.

Zo merk je aan alle kanten in ons gedeelte de onzekerheid van de boer in die dagen, de strijd om het bestaan. Je ziet hoe die onzekerheid te lijf wordt gegaan: vruchtbaarheidsgoden, graan laten liggen. Nu krijgt dat oude gebruik van graan laten liggen in onze tekst een nieuwe betekenis.  Er hoeft niets geofferd te worden aan de veldgeesten, maar je hoeft ook niet alles voor jezelf naar binnen te halen. Heilig zijn betekent ook denken aan de armen en de vreemdelingen. Voor hen zorgen.  

Hoe kunnen wij in die nieuwe situatie, in dat nieuwe land, bevrijde mensen blijven, mensen gewijd aan God, het was de vraag waar het volk Israël voor stond. Die nieuwe situatie van boeren die met droogte geconfronteerd werden, grote onzekerheid hadden over hun opbrengst. Dan klinkt de opdracht: ‘Laat je niet in met afgoden! Laat ook wat liggen op de akker voor de armen, laat wat druiven hangen voor de vreemdeling.

‘Wees heilig, want ik, de HEER, jullie God ben heilig.’, het was de opdracht waar de mens van toen voor stond, het is de opdracht waar wij voorstaan. Hoe kunnen wij in onze situatie mensen gewijd aan God blijven, mensen die het goede doen?

Wij weten dat onze situatie dan zo verschillend is van die Israëliet uit die dagen. Zo overnemen van de regels van toen gaat niet. Wij zijn veel minder kwetsbaar. De onzekerheid is minder geworden. Hoe werken die regels van toen voor ons nu?

De onzekerheid is minder, wij zijn minder kwetsbaar… De verleiding om vruchtbaarheidsgoden te vereren, het is er denk ik niet meer. Voor de Israëlieten, voor de andere volken in die tijd, bestond er geen twijfel: God of goden die waren er gewoon. De discussie die er was, was of de verschillende goden al dan niet naast elkaar konden staan… De keuze waar wij voorstaan, is of God er wel of niet is. Bestaat Hij wel?

‘Laat je niet in met afgoden’, ik zou die regel zo willen formuleren, positief ‘Geloof in God’, ‘Geef aan Hem je vertrouwen.’  In deze oogstdienst zou ik dat nog verder willen toespitsen: ‘Geef Hem je dank.’ Wij kunnen het idee krijgen dat wij alles in ons eigen hand hebben. Zelf voor alles zorgen. Dat is in mijn ogen een misvatting. Het is God die voor ons zorgt. In deze dienst spreken wij onze dank uit naar God toe, dank voor de oogst, voor ons eten en drinken, dank voor Zijn zegen op ons werk. Wij spreken ons uit tot Hem voor Zijn goede gaven.    

‘Geef Hem je dank’… dat houdt voor mij ook in dat wij op een bepaalde manier leven, in het leven staan. Nu is het zo dat dat oude gebruik om die veldgeesten te vriend te houden mij   aan het denken zette. Wel een beetje gek misschien, want die veldgeesten zijn juist verdwenen uit onze tekst. Het gaat nu om de zorg voor de armen. Toch even over dat oude idee. Er zit een angst achter, een schroom om te veel van de aarde te vragen. Om niet het onderste uit de kan te willen. Soms denk ik: hadden wij maar wat meer schroom voor de aarde… Angst om te veel van de aarde te vragen.

Op meerdere vlakken merken wij waar mateloosheid, gulzigheid toe leidt. Wij merken bijvoorbeeld de gevolgen van de gaswinning. Het verlangen naar meer laat de aarde hier beven. Met alle gevolgen van dien.  

Wij merken waar onze mateloosheid toe leidt in een veranderend klimaat. De enorme uitstoot van CO2 in de zware industrie. Het bijzondere is dan dat er vaak wel maatregelen te bedenken zijn om het naar beneden te brengen, maar dan wordt er eerst gekeken of het niet te veel ten koste gaat van de economie.  Tja, wat weegt meer de veiligheid, de gezondheid van mensen, het voortbestaan van de aarde of de winst van bedrijven, de werkgelegenheid?

In die wereld van economische belangen is het onze uitdaging om op koers te blijven. Belangen waar je zelf ook mee te maken kunt hebben. Een bedrijf moet rendabel zijn, investeringen moeten terugverdiend worden.  Wat kun je vragen van het land? Tot waar gaat het goed? Wanneer neemt om zo te zeggen het land wraak?

Maat weten, niet het onderste uit de kan willen, het past bij het omgaan met de aarde, maar ook bij het omgaan met elkaar. Daar gaat het uiteindelijk over in de tekst: om overlaten, niet alles voor jezelf houden, om zo te delen met de armen, met de vreemdelingen…

Ook dat blijft een uitdaging in onze tijd. Deze week belde een mevrouw van een goed doel dat wij steunen. U raadt al wat zij vroeg: of wij meer wilden geven. Ik vind het altijd een razend moeilijke vraag. Zeg je nee, dan voel je slecht: of je niet wil dat kinderen in Afrika onderwijs krijgen. Of je niet wil dat bepaalde ziektes de wereld uit worden geholpen. Of je niet wil dat mensen na een ramp worden geholpen.  Tuurlijk wil je dat. De andere kant is dat je je geld maar een ding kunt besteden…

Niet alles voor jezelf houden, delen, het vloeit voort uit die opdracht: ‘Wees heilig, want ik, de HEER, jullie God ben heilig.’

De zomer van afgelopen jaar, wij zullen waarschijnlijk hem niet snel vergeten. Zo warm en droog als die was. Niet snel vergeten... laten wij dat doen met die opdracht: ‘Wees heilig, want ik, de HEER, jullie God ben heilig.’

Amen
 

terug