Preek 19 april Preek 19 april
Hieronder kunt u de preek over Matteüs 21: 1-11 lezen die gehouden is in de dienst op 19 april.

Wilt u reageren, dat kan naar m.pronk@telfort.nl 
---------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

Gemeente van onze Heer Jezus Christus,

Afscheid nemen, mijn laatste dienst als predikant van deze gemeente., tja…het is wel een bijzonder moment vandaag: na bijna tien jaar komt er een einde aan mijn werk, aan onze aanwezigheid als gezin hier in de gemeente, hier in het dorp. En dat doet toch wel een beetje pijn... Gelukkig maar, zou ik zeggen, want het laat zien dat dat het goed was, dat wij hier met plezier geleefd hebben.

Ik zou kunnen opsommen wat er allemaal aan goede momenten de afgelopen jaren is geweest, een soort terugblik bieden, maar dat doe ik niet en dat komt door het gedeelte dat wij vandaag gelezen hebben, die enkele verzen uit Johannes 20. Jezus verschijnt daar aan zijn leerlingen. De blikrichting in dat gedeelte is niet achteruit, naar wat er geweest is, maar vooruit, naar de toekomst, naar wat komt. In die blikrichting wil ik meegaan en daarom nu niet te veel terugkijken.

Ons verhaal opent helemaal niet zo hoopvol, zo gericht op de toekomst. Eerder lijken de leerlingen terug te kijken, te kijken naar wat geweest is: ‘Op de avond van de eerste dag van de week waren de leerlingen bij elkaar; ze hadden de deuren afgesloten, omdat zij bang waren voor de Joden.’  

De leerlingen zijn daar samen in een zaal of in een huis. Hoe de sfeer precies is, wordt niet verteld. De leerlingen zijn – als wij het voorgaande verhaal erbij betrekken, al op de hoogte zijn van de opstanding: Maria van Magdala heeft dat hun verteld. Wat ons wel duidelijk wordt, is dat de leerlingen bang zijn voor de Joden…

Met de Joden worden niet het Joodse volk in zijn geheel bedoeld maar de Joodse leiders. Waarom zijn die leerlingen bang? Wat hebben zij te vrezen? In het Johannesevangelie komen wij wel vaker tegen dat de mensen bang zijn voor de Joodse leiders. Als reden wordt dan genoemd dat die leiders de macht hadden om mensen uit de synagoge te zetten. Als er iets is waar wij als mensen bang voor zijn, is dat je erbuiten komt te staan. Er niet meer bij mag horen. 

Zo zit die angst er ook bij de leerlingen. En dat geeft de moeilijke positie aan waarin zij zitten: aan de ene kant zijn zij leerlingen van Jezus, aan de andere kant maken de gevolgen van het volgen van Jezus hen bang. Ze zullen er toch niet door uit de synagoge gezet worden… Ze zullen er toch nog wel bij mogen horen, bij hun familie en vrienden…

Maar dan, ineens staat Jezus in hun midden en zegt: ‘Ik wens jullie vrede!’. Jezus blijkt niet dood te zijn. Het verhaal van Maria uit Magdala blijkt te kloppen: Hij is opgestaan. Hij leeft.

Je zou hier in het verhaal heel goed een punt kunnen zetten. Jezus leeft en hij laat dat aan zijn leerlingen zien. Die mannen en vrouwen zitten daar veilig achter die gesloten deur. Dat is toch een soort van eind goed al goed? Wat wil je nog meer, Jezus leeft en de leerlingen zijn veilig?

Maar Jezus houdt het daar niet bij, want Hij heeft een opdracht voor de leerlingen, een opdracht naar de toekomst toe: ‘Zoals de Vader mij heeft uitgezonden, zo zend ik jullie uit.’ De leerlingen moeten de deur uit. Die gesloten deur moet open! Hun taak is om de wereld in te gaan. 

En die wereld is zoals u al begrepen hebt, niet vriendelijk. Er zijn mensen die het leven van de leerlingen erg moeilijk te maken. En toch hebben die leerlingen een taak in de wereld, een woord voor de wereld. Ze moeten op pad!

Nu hoeven de leerlingen het niet op eigen kracht te doen. Jezus geeft aan hen de heilige Geest: ‘Na deze woorden blies Jezus over hen heen en zei: ‘Ontvang de Heilige Geest.’ Daarmee zal hun angst niet zijn verdwenen, maar die angst mag niet verlammen, niet beklemmen. Jezus weet maar al te goed hoe de wereld in elkaar steekt: hij heeft het zelf ondervonden. En toch mogen de deuren niet gesloten blijven. ‘Ga de wereld in’, zegt Jezus tegen zijn leerlingen. ‘Zoals de Vader mij heeft uitgezonden, zo zend ik jullie uit.’

Dat wordt nog eens benadrukt door de laatste woorden van ons gedeelte: ‘Als jullie iemands zonden vergeven, dan zijn ze vergeven; vergeven jullie ze niet, dan zijn ze niet vergeven.’ Ik heb dit altijd moeilijke woorden gevonden. Het viel mij op toen ik een preek van mijzelf van een tijdje geleden bekeek dat ik over alles iets zei, behalve over deze woorden. Ik had ze overgeslagen, omdat zij mij niet lekker zitten.

De moeilijkheid zit hem voor mij in het slot ‘vergeven jullie ze niet, dan zijn ze niet vergeven…’ Dat is nogal wat, dat die macht in onze handen zou liggen… Als dat zo zou zijn, dan ligt misbruik daarvan gemakkelijk op de loer. Je kunt mensen ermee knechten. Nee, die zonden worden je niet vergeven. Zo kun je mensen klein houden, gevangen in schuld.

In een commentaar las ik dat ik deze woorden misschien altijd verkeerd heb gelezen. In het Johannesevangelie wordt het woord ‘zonde’ meestal gebruikt in verband met het al dan niet erkennen van wie Jezus is. Het niet erkennen van Hem als Zoon van God, dat wordt zonde genoemd. Zonde heeft bij Johannes heeft niet zoveel te maken met het overtreden van regels.

Wat heeft dat nou onze tekst te betekenen? Je zou die tekst dan zo moeten lezen: ‘Als jullie [dat zijn de leerlingen] iemand tot erkenning van Jezus van Zoon van God brengen, dan is hij gered, doen jullie dat niet, dan is hij niet gered.’ De nadruk ligt op wat die leerlingen kunnen doen. Zij kunnen zonden vergeven als zij de wereld ingaan. Als zij daar blijven in dat zaaltje of huis, gebeurt er niets. Dan worden er geen zonde vergeven. Dus: hup naar buiten toe! ‘Zoals de Vader mij heeft uitgezonden, zo zend ik jullie uit.’

Als Jezus daar weer bij zijn leerlingen is, is dat geen gezellige reünie waarbij alle verhalen van vroeger worden opgehaald. Jezus is juist gericht op de toekomst. De blik moet vooruit… Zoals de Vader mij heeft uitgezonden, zo zend ik jullie uit.’

Zo ontkomen wij er ook vandaag niet aan om, tijdens deze dienst, vooruit te kijken.  Dat is volgens mij wat het verhaal van ons vraagt.

Vooruitkijken, dat terwijl er bij mij en ik denk bij u best wel onzekerheid is. Onzekerheid bij mijzelf omdat wij in een nieuwe situatie stappen. Alles verandert, nieuwe woonplaats, andere gemeente, voor de kinderen wordt alles nieuw. School, vrienden, sport. Hoe zal alles gaan? Zal alles weer zijn plek vinden?

Ook deze tijd, deze coronacrisis, is een tijd vol onzekerheid. De berichten zijn steeds wel wat hoopvoller, maar wij weten niet wat er binnenkort weer kan. Kunnen wij weer geliefden bezoeken in verpleegtehuizen? Gaan kinderen weer naar school? Is er wat meer contact met elkaar mogelijk?

Onzekerheid… ook hier in de gemeente, komt er een nieuwe predikant, voor hoeveel, wanneer? Daarnaast zijn er de gewone vacatures in de kerkenraad. Worden die weer vervuld? Hoe? De vijver van vrijwilligers lijkt alleen maar kleiner te worden…

Dan zijn er die woorden van Jezus: ‘Zoals de Vader mij heeft uitgezonden, zo zend ik jullie uit.’ De leerlingen moesten de deur uit. Die gesloten deur moest open! Niet naar het verleden kijken, maar naar de toekomst, dat is wat Jezus van hen vroeg.

Zo worden wij ook uitgedaagd om daarin mee te gaan. Om ons niet laten verlammen door onzekerheid, maar om de toekomst met vertrouwen tegemoet te gaan.

Nu is het wel even de vraag wat Jezus nou precies van zijn leerlingen vraagt als Hij hen uitzendt. Ik denk zelf dat het een niet zo heel grote opdracht is, maar wel een waarmee de kerk wel staat of valt. Kort samengevat is die opdracht in mijn ogen: getuige zijn.  Getuige zijn van de Opgestane Heer. Van de leerlingen wordt niet meer en niet minder dan dit gevraagd.

Als wij in het spoor van de leerlingen willen gaan, betekent dat ook getuige zijn, in woord en daad, ieder voor zich én gezamenlijk. Getuige van de Opgestane Heer, het betekent het verhaal blijven vertellen van Jezus die gestorven is en ook is opgestaan! Getuige zijn, het betekent, dat wij in wat wij doen, Gods liefde zichtbaar maken, bijvoorbeeld in zorg voor elkaar, in betrokkenheid voor al de mensen die op ons pad komen. In het ondersteunen van hulpprojecten in ons eigen land, in andere landen.

Getuige zijn, weet u wat daar zo mooi aan is, het zit hem niet in de aantallen… hoe klein de groep ook is, je kunt het blijven doen. Je hoeft niet met veel te zijn. Je kunt het zelfs alleen, maar het mooiste is toch samen, samen als kerk.

Getuige zijn, weet u wat daar zo mooi aan is? Wij hoeven het niet alleen te doen. In ons verhaal horen wij: ‘Jezus blies over hen heen en zei: ‘ontvang de heilige Geest.’ Ik geloof dat die Geest nog steeds werkt, ook vandaag. Dat die Geest ons inspireert, ons bemoedigt, ons troost. Ons uitdaagt om aan die woorden van Jezus’ handen en voeten te geven, in deze tijd, in de tijd die komt.

Afscheid nemen, mijn laatste dienst als predikant van deze gemeente, ja vandaag stopt het, maar wat doorgaat, is de kerk, de kerk waar u en ik dienstbaar aan willen zijn. De kerk, getuige van de Opgestane Heer.

Amen  

 
terug